Straffen of begrenzen?

Slecht gedrag

Het is het einde van een lange dag. Je staat in een drukke supermarkt, en ineens gooit je peuter zich schreeuwend op de vloer omdat die ene zak snoep niet mee mag. Of misschien heb je een achtjarige thuis, die voor de vierde keer weigert zijn jas op te hangen en je met een diepe zucht afsnauwt. Op zulke momenten schiet bijna iedere ouder in dezelfde reflex. Je bent moe, je grens is bereikt en voor je het weet roep je: En nu is het klaar, naar je kamer!

Toch blijft er bij veel ouders na zo’n uitbarsting een vervelend gevoel knagen. Werkt straffen eigenlijk wel? Wordt een kind er niet alleen maar wrokkig of stiekem van? Maar ja, als je niet straft, verandert je huis dan niet in een chaos waarin het kind de dienst uitmaakt?

Het korte antwoord: grenzen stellen is belangrijk, maar straffen werkt vaak averechts. Maar hoe doe je het dan wel?

Waarom straffen vaak niet werkt

Veel ouders denken dat ze moeten kiezen: streng straffen óf alles maar goedvinden. Maar dat hoeft niet. Als je straft, zoals de tablet afpakken of je kind naar zijn kamer sturen, leert een kind vaak niet waarom iets niet mocht. Het kind leert alleen dat het bang moet zijn voor straf. Of het wordt heel boos op jou.

Kinderen doen meestal niet 'stout' om jou te pesten. Vaak komt het doordat ze moe, overprikkeld of boos zijn. Hun hersenen zijn nog niet klaar om rustig te blijven. Ze weten simpelweg nog niet hoe ze met die sterke gevoelens om moeten gaan.

Het geheim: een logisch gevolg

Je hoeft dus niet te straffen, maar je moet wél grenzen stellen. Dat doe je met een logisch gevolg. Dat betekent dat de reactie te maken heeft met wat er gebeurt.

  • Een straf: je kind gooit zijn bord eten op de grond. Jij zegt: Je mag een week niet op de iPad! Dat heeft niks met het eten te maken. Je kind leert er niks van en wordt alleen maar boos.
  • Een logisch gevolg: je kind gooit zijn bord eten op de grond. Jij zegt: Het eten is nu klaar. We ruimen samen de rommel op. Je kind leert direct wat het gevolg is van zijn actie.

Welke aanpak past bij welke leeftijd?

Kinderbreinen veranderen enorm naarmate ze ouder worden. Wat werkt bij een puber, heeft bij een kleuter geen enkel effect.

Peuters en kleuters (1 tot 4 jaar)

Jonge kinderen kunnen nog niet goed logisch nadenken. Een lange preek geven als ze boos zijn heeft geen zin.

  • Stuur het gedrag bij. Kleurt je kind op de muur? Pak het stiftje rustig vast. Breng je kind naar de tafel en geef een vel papier.
  • Help met kalmeren. Is je kind heel boos? Blijf erbij. Blijf zelf rustig en geef een knuffel als dat mag. Pas als je kind rustig is, kun je kort uitleggen wat de regel is.

Basisschoolkinderen (4 tot 8 jaar)

Kinderen van deze leeftijd snappen beter wat wel en niet mag. Maar als ze boos zijn, vergeten ze dat soms nog.

  • Laat ze het goedmaken. Zegt je kind gehaast 'sorry' zonder het te menen? Vraag liever: 'Wat kunnen we doen om dit weer goed te maken?'
  • Geef een keuze. Zeg niet alleen wat moet, maar geef een keuze binnen jouw grens. Bijvoorbeeld: 'Trek je zelf je schoenen aan, of zal ik je helpen?'

Opgroeiende kinderen (9 tot 12 jaar)

Kinderen van deze leeftijd willen eerlijk behandeld worden. Als jij de baas gaat spelen, worden ze alleen maar opstandig.

  • Los het samen op. Is er een probleem, bijvoorbeeld met huiswerk? Ga op een rustig moment samen aan tafel zitten. Vraag: 'Ik zie dat dit niet goed gaat. Hoe kunnen we dit samen oplossen?'
  • Praat als het rustig is. Gebeurt er iets vervelends? Wacht tot de boosheid gezakt is. Ga dan pas samen praten.

Tieners (12 jaar en ouder)

Tieners willen graag alles zelf beslissen. Machtsspelletjes win je op deze leeftijd niet meer.

  • Laat ze het zelf ervaren. Staat je tiener te laat op? Ga niet schreeuwen. Laat je tiener zelf op school uitleggen waarom hij te laat is.
  • Blijf in gesprek. Hou de sfeer goed. Als je kind weet dat je niet meteen boos wordt, komt het naar jou toe als er echt problemen zijn.

3 gouden regels voor lastige momenten

Eerst verbinden, dan pas corrigeren. Een kind dat overspoeld is door emoties kan niet leren. Zorg eerst dat je kind zich veilig en gehoord voelt ('Ik zie dat je heel boos bent'). Pas als de rust is teruggekeerd, bespreek je het gedrag.

Keur het gedrag af, nooit het kind. Zeg niet 'Wat ben je toch een stout kind', maar 'Ik hou van je, maar ik accepteer niet dat je slaat.'

Blijf zelf rustig. Als jij gaat schreeuwen tegen een schreeuwend kind, leer je ze alleen dat degene met de hardste stem wint. Soms is het goed om even een minuutje uit de situatie te stappen, rustig adem te halen en dan pas weer het gesprek aan te gaan met je kind.

Opvoeden is geen kwestie van controle houden over je kind, maar van het behouden van de relatie terwijl je duidelijke grenzen aangeeft. Dat gaat niet elke dag perfect, en dat hoeft gelukkig ook niet!